Johan Quist en Godert van den Doorslagh getuigen in dit document van de gebeurtenissen rondom het huis Amerongen in 1672. Ze schrijven dat de koning van Frankrijk en de hertog van Orleans in 1672 in huis Amerongen verbleven. Het huis werd goed onderhouden, omdat de Fransen dachten dat de heer van Amerongen er gewoon niet was. Toen ze er echter achter kwamen dat de heer van Amerongen in het vijandige Duitsland verbleef, zijn er twee kapiteins met hun troepen naar huis Amerongen gekomen om het in te nemen. De goederen van de heer van Amerongen werden in beslag genomen, de inwoners van Amerongen moesten al hun eten afstaan aan de Franse troepen en de heer van Amerongen werd achter zijn rug om beledigd met het spottende ‘povre monsieur'. In februari 1673 werd het huis door de Fransen met hout en stro gevuld, tot ‘boven in de toorens’. Vervolgens werd het huis in brand gestoken, ondanks de brandschatting die de inwoners van Amerongen wilden betalen. De schade zou tot in de honderdduizend gulden oplopen volgens de schrijvers van de brief.
Herkomst
Maker |
Johan Quint |
Datering |
18 mei 1675 |
Collectie |
(072) Gerechtsbestuur Amerongen, Ginkel en Elst |
Organisatie |
|
Nummer |
252 |
Link |
https://www.razu.nl/collectie/online-zoeken-in-archieven/?mivast=74&mizig=210&miadt=74&miaet=1&micode=072&minr=853897&miview=inv2 |
Gerelateerde thema's
Trefwoorden
Beschikbare tools
Overzicht van alle transcripties
Overzicht van bron(nen) op de kaart
Getuigenis over de plundering en verwoesting

Wij ondergeschrevenen Johan Quint, jegenwoordich
substituijt drost ende schout van de hoge heerlikheijt
Amerongen, ende Godert van den Doorslagh, secretaris
aldaer, certificeren ende verklaren bij dese, ten verzoecke
van den hooch edelgeboren heere van Amerongen, etc.,
dat in den jare 1672, als de France tot Amerongen
sijn gekomen en den koninck selfs in parsoon den
hartogh van Orleans sijn logement op’t huijs te Amerongen
heeft genomen, ende gedurende sijn verblijff aldaer, sulcken
strickten ordre onder ’t volck was, dat doen ter tijt
aen 'tselve huijs, hoven ende tuynen, mitsgaders des
heeren van Amerongen goederen en plantagien geen
de minste schade was gedaan, daer na als wij neffens
andere ingesetenen bij malkanderen op’t huijs te Amerongen
logeerden, wiert ons dickmalen vande France officieren
die daer quamen en passeerden gevraecht, waer den heere
vant huijs was. Waerop gemeenlick wierd geantwoort
dat men het niet en wist. Ende naderhandt als ick
onderschreven secretaris op het begeeren van de presente inwoonders
bij den secretaris van den hartogh van Luxemborgh tot Utrecht
een sauvegarden brieft versocht, vraegden mij denselven
secretaris naer den heer van Amerongen, en horende dat ick
mij daer van ignorant hielde, wenckte mij met sijn vinger
en seijde wij weten wel dat hij in Duijtslant is, ende de Duitse
vorsten tegens onsen koning ophitst en diergelijcke
woorden, maer hij soude voor het dorp van Amerongen
een sauvegarden brieft gereedt maken dewelke ick
des anderen daags bequam en stont in denselven
brieft geinsereert dese woorden: a la reserve du
Chatteau du dit Lieu. Ende na dat bij de
France publicq geworden was dat den heere van
Amerongen wegens haer hoog mogende de heeren Staten-
Generael sich in Duijtslant onthield, sijn twee
capitainen met hare compagnien van 't regiment La Reijne

op’t huijs te Amerongen komen logeren, en hebben
tselve in possessie genomen, verjagende de onderdanen
daer van daen, seggende dat alle de goederen
van den heer van Amerongen waren geconfisqueert
om dat niet op sijn huys was gekomen, noemende
den heer spotswijse povre monsieur, ende wilden
de voorschreven capitainen met hare soldaten vande ingeseten
gedefroijeert wesen, lieten door haere sergeanten
en soldaten alle dagen broot, vlees, boter en
andere spijse de inwoonders affhalen, so lange
dat de inwoonders ten deele begonden met hun
kinderen honger te lijden, om datse geen spijse konden
bekomen. Waer over sij moesten op anderen plaetsen
trecken, en die capitainen niets meer vindende sijn
doen ook vertrocken. Daarna is in
februarij 1673 een edelman ofte officier
genaamt La Fosse van de lijffgarde van den hartogh
van Luxenburgh met 10 a 12 ruijters op den
huijs en slote van Amerongen gekomen, seggende
tegen die opgesetnen die daer weder opgevlucht
waren, dat hij ordre hadde om tselve huijs te
ruineren, en te verbrandden, ende dat ider daer van
soude trecken, en hebben deselfde Franssen al voort
bossen hout en strooij gedragen, boven in de toorens
en door het geheele huijs, en het bovenste eerst aan
brandt gesteecken en van boven tot beneden geheel
afgebrandt. En hebben voorts des nachts de
schone huijsingen en getimmerten om het voorburgh
al mede affgebrant, niet tegenstaande dat de
inwoonders te vooren een groote somme gelts
presenteerde, dat het niet gebrandt soude worden
maar dien officier sijde dat hij geen verschoninge
vermochte te doen, onder andere, om dat den heer
van Amerongen tegens de interesse van den koninck
van Vranckrijck ageerde. Na welcke tijt
op de goederen ende weijlanden van welgemelte heere
van Amerongen sijn gekomen, eerst eenige honderden
karpeerden daarna ontrent 50 a 60 ossen en
ettelijcke duijsenden schapen die men doen seijden dat den
intendant Robert toebehoorde, ende wierden doen ook
de bosschen en plantagien van meergemelte heere van
Amerongen affgekapt. Hier op ons gevraechdt
sijnde hoe groot wij dese schade van’t affbranden
van’t huijs, voorburgh en ruine van de goederen
daer aen behorende, wel souden estimeren soo hebben
wij tselve soo pertinent niet konnen doen, maer
verklaren bij onse vroomigheijt na dat wij tselve
met verscheijde timmerluijden en metselaers hadden
overleijd, dat onses oordeels diergelijcken, soo als
het voorschrevene huijs en voorburgh voor het affbranden
is geweest, wel over de hondert duijsent gulden
soude kosten, behalven het afbreecken en opruijmen
van de mueren, die door den vehementen brant en door
het vallen van balcken en mueren tot in de gront
waren geborsten, en na binnen en buijten uijt geweecke
en in de gracht gevallen. Ende alsoo ons alle 't
geene voorschreven neffens veel meer ingesetenen van Amerongen
seer wel bekent is, als hebbende het voorverhaelde
selfs gehoort ende gesien, soo hebben wij substituut
drost ende secretaris desen t’ eenen oirconde onderteekent
op den 18e maij 1600 vijff ende tseventich.